Blaaskatheterisatie is een invasieve handeling die in de urologische zorg frequent wordt toegepast, maar gepaard gaat met significante risico's op morbiditeit. Voor verpleegkundigen is het vroegtijdig signaleren van complicaties zoals bacteriurie, obstructie en urethrale schade cruciaal voor het behoud van de blaasfunctie en patiëntveiligheid. Deze klinische gids analyseert de meest voorkomende pathologieën bij kathetergebruik, hun etiologie en de bijbehorende evidence-based interventies om infecties aan de urinewegen te minimaliseren en de kwaliteit van zorg te waarborgen.
De meest voorkomende complicaties bij blaaskatheters zijn urineweginfecties (UTI), katheterobstructie door gruis of fibrinestolsels, en blaaskrampen door detrusorinstabiliteit. Daarnaast treden regelmatig urethrale schade en lekkage op. Adequate fixatie, aseptisch werken en het handhaven van een gesloten drainagesysteem zijn de primaire preventieve maatregelen om klinische incidenten en weefseltrauma te voorkomen.
Catheter-Associated Urinary Tract Infections (CAUTI) vormen de grootste groep complicaties bij langdurige katheterisatie. De aanwezigheid van een vreemd lichaam in de urethra faciliteert de vorming van een biofilm, waardoor micro-organismen zoals Escherichia coli en Proteus mirabilis de blaas eenvoudig koloniseren. Het risico op infectie stijgt cumulatief met 3% tot 7% per dag dat de katheter in situ blijft.
Het handhaven van een gesloten systeem is de belangrijkste interventie. Elke verbreking van de verbinding tussen katheter en opvangzak verhoogt de kans op contaminatie. Verpleegkundige zorg richt zich op:
Bij een obstructie stagneert de urineafvoer, wat leidt tot acute blaaspijn en risico op hydronefrose. Oorzaken variëren van de vorming van blaasgruis (encrustatie) tot de aanwezigheid van bloedstolsels of fibrinedraden, vaak na urologische ingrepen of bij chronische infecties.
Indien de urineproductie stopt, dient eerst gecontroleerd te worden op mechanische knikken in de slang. Bij vermoeden van encrustatie kan een blaasspoeling met NaCl 0,9% of een specifiek spoelmiddel geïndiceerd zijn, mits uitgevoerd volgens protocol. Bij recidiverende obstructie is vervanging van de katheter door een exemplaar met een grotere Charrière-maat of een ander materiaal (zoals volledig siliconen) noodzakelijk.
Blaaskrampen ontstaan vaak door irritatie van de blaaswand door de ballon of de tip van de katheter. Dit resulteert in pijnlijke samentrekkingen van de musculus detrusor, wat vaak gepaard gaat met lekkage langs de katheter. Urethrale schade, zoals decubitus aan de meatus of stricturen, ontstaat door tractie op de slang of een onjuiste fixatie.
Lekkage is vaak een teken van blaaskrampen of obstructie, niet van een te dunne katheter. Controleer eerst de doorgankelijkheid. Het plaatsen van een dikkere katheter verergert vaak de irritatie en de lekkage.
Vervanging is noodzakelijk bij een onherstelbare obstructie, bij tekenen van een ernstige urineweginfectie met koorts, of wanneer de integriteit van het materiaal (zoals de ballon) is aangetast.
Gebruik bij een vergrote prostaat een katheter met een Tiemann-tip (gebogen punt). Deze volgt de anatomische curve van de urethra makkelijker en vermindert de kans op een 'fausse route'.
Niet noodzakelijkerwijs. Troebele urine kan ook veroorzaakt worden door sediment of kristallen. Alleen bij bijkomende symptomen zoals koorts, pijn of verwardheid is diagnostiek naar een infectie geïndiceerd.
Bij een bekende latexallergie moet altijd gekozen worden voor 100% siliconen katheters. Siliconen is biocompatibel en vermindert de kans op urethritis en allergische reacties.